.

.
Volg mij ook op TWITTER klik hiervoor op de foto

donderdag 20 november 2014

AANSLAG JERUZALEM


‘Drie man in synagoge kon ik niet helpen’


Het lukt Israël maar niet Palestijns geweld te stoppen. In Jeruzalem is weer een bloedbad aangericht.





Jan Franke
 JERUZALEM – Drie mannen met keppeltjes op en beschermende kleding aan kruipen over de stoep voor de grote Kehilat Bnei To­ra- synagoge in de ultraortho­dox- joodse wijk Har Nof in Jeru­zalem. Twee Palestijnen hebben hier een bloedbad aangericht.

De mannen bestuderen de stoep­tegels
 van dichtbij met grote aan­dacht. Naast hen staat een emmer­tje sop. De heren zijn vrijwilligers van ZAKA, een Israëlische organi­satie die na aanslagen en verkeers­ongelukken lichaamsdelen en bloedsporen van de slachtoffers verzamelt. Volgens de joods-reli­gieuze wetten – de halacha – moe­ten namelijk alle overblijfselen van het lichaam van de overlede­ne begraven worden, ook de bloedspetters. In de synagoge zijn nog veel meer vrijwilligers van ZAKA aan het werk. Enkele uren eerder, tijdens het ochtendgebed, zijn twee jonge Palestijnse man­nen uit de wijk Jabel Mukaber in Oost-Jeruzalem het gebedshuis binnengestormd om tekeer te gaan met messen, bijlen en vuur­wapens. Vier biddende mannen werden vermoord, acht anderen raakten gewond. De daders zijn tijdens een vuurgevecht met de Is­raëlische politie gedood.

„Ik was in het gebouw hiernaast aan het bidden toen ik via mijn walkietalkie een melding kreeg van een schietpartij”, zegt Albert Albukai (40), een buurtbewoner en vrijwilliger van het Joodse Ro­de Kruis die als eerste hulpverle­ner ter plaatse was. Hij wijst op een fiets die naast de synagoge staat. „Die is van het eerste slacht­offer die hier op de stoep lag. Zijn oor was afgesneden en hij bloed­de hevig. Toen ik hem verzorgde schreeuwde hij dat er binnen nog terroristen aan het schieten wa­ren.” Nadat de twee daders voor het gebedshuis werden neerge­schoten, ging Albukai naar bin­nen om de gewonden te verzor­gen. ,,Wat ik daar aantrof is onbe­schrijfelijk. Ik zag drie mannen met gebedsriemen om die zo erg met bijlen waren toegetakeld dat ik direct wist dat ik ze niet meer kon helpen. Twee anderen heb ik nog wel verpleegd.”

In de uren na de aanslag drom­men geëmotioneerde buurtbewo­ners
 samen voor de synagoge.

Vrouwen vallen elkaar op straat in de armen. Het geweld dat in an­dere delen van deze stad frequent is, bleef deze rustige, welgestelde buurt tot nu toe bespaard. „Ik hoop dat iedereen in Israël én de rest van de wereld nu begrijpt dat dit een religieuze oorlog met de moslims is, en niet alleen een con­flict over land met de Pales­tijnen”, zegt Dror Shamir (44), een joodse Israëliër uit de kust­stad Holon die zodra hij van de aanslag hoorde naar Jeruzalem reed ‘om bij mijn broeders te zijn’. „Hamas, Islamitische Staat, het is allemaal hetzelfde. Ze ver­moorden
onschuldige mannen tijdens hun gebed, alleen maar omdat ze anders zijn. De fanatie­ke islam is als een kanker die zich over de hele wereld verspreid. Eu­ropa is de volgende”, zegt hij op boze, dreigende toon.

Het is een visie die door veel Israë­liërs
 wordt gedeeld. Hoewel deze aanslag, de dodelijkste in drie jaar, niet direct werd opgeëist door radicaal-islamitische Pales­tijnse groeperingen zoals Hamas, speelt religie een steeds grotere rol in het Israëlisch-Palestijns con­flict. Beelden van Israëlische poli­tieagenten en rechtse joodse acti­visten op de Tempelberg in Jeru­door zalem, een van de heiligste plek­ken in de islam én het jodendom, worden avondenlang op de Pales­tijnse televisie herhaald. Het werkt als een katalysator voor ge­frustreerde, geradicaliseerde Pales­tijnse jonge mannen. Hoewel de Palestijnse president Abbas de aanslag gisteren in de strengste bewoordingen veroordeelde en sa­men met Israëlische veiligheids­diensten de rust in de stad pro­beert te herstellen, windt hij zich in zijn toespraken altijd op over de onrust op de Tempelberg. Die boodschap is nu aangekomen bij de Israëlische leiders. Er komen meer agenten in Jeruzalem, er worden nieuwe wegversperrin­gen opgeworpen én joodse bezoe­ken aan de Tempelberg wordt ten zeerste afgeraden zolang de on­rust duurt. Of dat genoeg is, is maar zeer de vraag. De spanning is groot. „Ik durf nu niet naar de synagoge te rijden,” zegt een Pa­lestijnse taxichauffeur kort na de aanslag. „Als ze mij daar zien of horen, loopt het niet goed met me af.”

artikel met dank overgenomen uit "De Gelderlander"



Een reactie posten